Kennisblog

De aanmaning: Overzicht van de rechtspraak over invordering van verbeurde dwangsommen

De aanmaning: Overzicht van de rechtspraak over invordering van verbeurde dwangsommen

De bevoegdheid van een bestuursorgaan om verbeurde dwangsommen in te vorderen verjaart door verloop van één jaar na de dag, waarop de dwangsom is verbeurd (art. 5:35 Algemene wet bestuursrecht). Uit de rechtspraak blijkt dat zich vele complicaties kunnen voordoen bij de invordering van verbeurde dwangsommen. Deze complicaties hebben al snel grote gevolgen: de invorderingsbevoegdheid is verjaard en de verbeurde dwangsommen kunnen niet meer ingevorderd worden. De aanmaning heeft een belangrijke functie binnen de invorderingsprocedure. De aanmaning stuit namelijk de lopende verjaringstermijn (art. 4:106 Awb). In dit artikel wordt ingegaan op recente rechtspraak over de aanmaning. Uit deze rechtspraak volgt dat het opstellen van een juiste aanmaning precisie vereist.

Plaats van aanmaning in de invorderingsprocedure

Een dwangsom verbeurt van rechtswege als na het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan de last is voldaan. Een eenmaal verbeurde dwangsom dient binnen zes weken na de verbeurte te worden betaald. Dit volgt expliciet uit de wet, art. 5:33 Awb. Daarvoor is geen afzonderlijke brief van het bestuursorgaan vereist. Als een overtreder niet ‘vrijwillig’ betaalt dan ligt het op de weg van het bestuursorgaan om de invorderingsprocedure voort te zetten.

De eerste stap in de invorderingsprocedure is het invorderingsbesluit (art. 5:37 Awb). De Awb bevat geen specifieke vereisten waaraan een invorderingsbesluit moet voldoen. Belangrijk aspect van de invorderingsbeschikking: deze heeft geen stuitende werking voor de lopende verjaringstermijn.

De aanmaning is de tweede stap in de invorderingsprocedure (art. 4:112 Awb). Een aanmaning kan pas verzonden worden, nadat een invorderingsbesluit is genomen. Artikel 5:37 Awb bepaalt namelijk: Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.’ Een aanmaning kan dus niet voorafgaand aan de invorderingsbeschikking worden gestuurd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘AbRvS’) heeft het wel goedgekeurd dat een invorderingsbeschikking en een aanmaning in één brief/besluit waren opgenomen (AbRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1068). Dus aanmanen vóór de invorderingsbeschikking kan niet, aanmanen tegelijkertijd met de invorderingsbeschikking kan – onder voorwaarden – wel (AbRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2016).

Na de aanmaning volgt, zo nodig, het uitbrengen van het dwangbevel (art. 4:115 Awb) en daarna het leggen van executoriaal beslag (art. 4:116 Awb).

Voor aanmaning is verzuim vereist

Een bestuursorgaan kan pas een aanmaning sturen, nadat de schuldenaar in verzuim is (art. 4:112 lid 1 Awb). Het verzuim treedt in als niet binnen de betalingstermijn is betaald (art. 4:97 Awb). De betalingstermijn van verbeurde dwangsommen bedraagt zes weken (art. 5:33 Awb). De eerste zes weken na de verbeurte kan het bestuursorgaan dus geen rechtsgeldige aanmaning sturen. Het in deze periode sturen van een invorderingsbeschikking met een aanmaning heeft dus geen zin.

Het komt ook regelmatig voor dat in een invorderingsbeschikking een betalingstermijn wordt genoemd. In de hiervoor genoemde uitspraak van 19 april 2017 heeft de AbRvS bepaald dat een betalingstermijn in een invorderingsbeschikking geen nieuwe betalingsverplichting doet ontstaan. Kortom, het verzuim treedt in zes weken na de verbeurte van de dwangsom. Een eventuele betalingstermijn in een invorderingsbeschikking doet daaraan niet af.

Vereisten aanmaning: betalingstermijn

Artikel 4:112 Awb vermeldt de vereisten waaraan de aanmaning moet voldoen. Op grond van het eerste lid maant het bestuursorgaan de schuldenaar aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.

De AbRvS heeft bepaald dat de betalingstermijn moet zijn opgenomen in de aanmaning. Zonder betalingstermijn is geen sprake van een aanmaning en heeft de aanmaning dus geen stuitende werking (AbRvS 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:327). Het vermelden van de in de Awb opgenomen betalingstermijn van twee weken blijkt echter niet verplicht. Ook het noemen van een andere betalingstermijn draagt de goedkeuring van de AbRvS (8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3603).

Vereisten aanmaning: vermelding dwanginvordering

Het derde lid van artikel 4:112 Awb bepaalt dat in de aanmaning moet worden vermeld dat betaling kan worden afgedwongen als niet tijdig wordt betaald. De mogelijke dwanginvordering is volgens de AbRvS een constitutief vereiste voor het bestaan van een rechtsgeldige aanmaning (AbRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301). Zonder vermelding van de mogelijke dwanginvordering dus geen aanmaning en geen stuitende werking.

Aanzegging verhaalkosten is niet vereist

Eveneens in het derde lid van artikel 4:112 Awb is vermeld dat betaling kan worden afgedwongen doordat op kosten van de schuldenaar invorderingsmaatregelen worden genomen. De vermelding dat de dwanginvordering op kosten van de schuldenaar plaatsvindt is volgens de AbRvS geen constitutief vereiste voor het bestaan van een rechtsgeldige aanmaning (AbRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2405).

Noemen van juiste bedrag is niet vereist

In de uitspraak van 5 september 2018 stelde appellant dat de aanmaning niet rechtsgeldig was omdat daarin een onjuist bedrag aan verbeurde dwangsommen was vermeld (ECLI:NL:RVS:2018:2920). De AbRvS gaat daarin niet mee. De Awb verplicht een bestuursorgaan er niet toe om bij een aanmaning het bij het invorderingsbesluit vastgestelde bedrag met inachtneming van de bepalingen omtrent verjaring zo nodig te herzien en opnieuw vast te stellen. Kortom, de aanmaning met het onjuiste bedrag diende als een rechtsgeldige aanmaning aangemerkt te worden en de invorderingsbevoegdheid was niet verjaard.

Herhaald aanmanen is mogelijk

Het sturen van een aanmaning is een laagdrempelige manier om de lopende verjaringstermijn te stuiten. Echter na de stuiting gaat weer een nieuwe, relatief korte, verjaringstermijn van één jaar lopen. De vraag is of een bestuursorgaan herhaaldelijk aanmaningen kan blijven sturen om de verjaringstermijn te stuiten. Ja, dat kan aldus de AbRvS in de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:667). 

Afsluiting

Bovenstaande uitspraken laten zien dat alertheid geboden is tijdens de invorderingsprocedure. Het missen van een klein detail kan maken dat een aanmaning niet als rechtsgeldige aanmaning wordt gekwalificeerd, waardoor de invorderingsbevoegdheid is verjaard. Het opstellen van een rechtsgeldige aanmaning vereist dus precisie.

Voor meer informatie over dit artikel kunt u contact opnemen met Ineke.

Deel dit artikelShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn
terug naar overzicht