Kennisblog

De overmacht van Corona (in Arnhems-historisch perspectief)

De overmacht van Corona (in Arnhems-historisch perspectief)

75 jaar geleden, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, deed zich in en rond de stad Arnhem een dramatische gebeurtenis voor. Nadat de Engelsen in september 1944 de Slag om Arnhem hadden verloren, werd de bevolking door de Duitse bezetter gedwongen de zwaar beschadigde stad te verlaten. Niemand mocht achterblijven en alle instellingen en bedrijven werden gesloten. Het openbare leven en de plaatselijke economie kwamen volledig stil te liggen. De situatie duurde van september 1944 tot juni 1945.

Een van de bedrijven die door de evacuatie werden getroffen was de N.V. Algemeene Kunstzijde Unie (AKU), het latere AKZO. Kort voor het begin van de gevechten had AKU steigermateriaal gehuurd van de firma Stalen Steiger N.V. te Haarlem. De verhuurder had het materiaal afgeleverd op de terreinen van AKU in Arnhem, maar voordat AKU het materiaal in gebruik had kunnen nemen werd de stad geëvacueerd. Het steigermateriaal bleef ongebruikt liggen tot juni 1945. Het kon niet tussentijds worden opgehaald door Stalen Steiger, aangezien de Duitse weermacht niemand in Arnhem toeliet. Alle zich daar bevindende goederen werden beschouwd als oorlogsbuit.

Na de oorlog maakte Stalen Steiger aanspraak op betaling van de huur over de periode oktober 1944 tot juni 1945. Het ging om een bedrag van f 2.328,02. AKU weigerde te betalen en Stalen Steiger stapte naar de rechter. Er werd doorgeprocedeerd tot de Hoge Raad.

Het verweer van AKU tegen de vorderingen van Stalen Steiger was gebaseerd op twee gronden. In de eerste plaats betoogde zij dat de huurovereenkomst van rechtswege was vervallen omdat in september 1944 alle genot van het gehuurde niet slechts voor de huurder, maar voor ieder ander door de bezettende macht onmogelijk was gemaakt, zodat sprake was van ‘door enig toeval vergaan zijn van het gehuurde’ in de zin van artikel 1589 BW (oud). Het tweede, subsidiaire, verweer was gebaseerd op de stelling dat de omstandigheden ten gevolge hadden gehad dat AKU als huurder van haar verplichtingen tot huurbetaling was ontheven, aangezien – zo stelde haar advocaat Wijckerheld Bisdom – bij wederkerige overeenkomsten, althans bij huur, de partij, die door haar niet persoonlijk betreffende oorzaken in de onmogelijkheid is komen te verkeren om haar rechten uit te oefenen, van haar verplichtingen is ontslagen.

In zijn arrest van 17 juni 1949 ging de Hoge Raad uitgebreid op deze verweren in. Hij overwoog dat voor de beantwoording van de vraag of het gemis van het genot van het gehuurde ten gevolge van een oorzaak die buiten het toedoen van de huurder en de verhuurder is gelegen meebrengt dat de huurder van zijn betalingsverplichting wordt bevrijd, onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie (i) waarbij het verlies van het huurgenot zijn oorsprong vindt aan de zijde van de verhuurder, dan wel (ii) of de oorzaak van de genotsderving is gelegen aan de zijde van de huurder. In het eerste geval, als de oorzaak bij de verhuurder is gelegen geldt de regel dat indien bij een wederkerige overeenkomst de ene partij door overmacht is verhinderd te presteren, ook de wederpartij (in dat geval de huurder) van zijn verplichting is ontslagen. Deze regel lag volgens de Hoge Raad ook ten grondslag aan artikel 1589 BW betreffende de gevolgen van het door enig toeval geheel of gedeeltelijk teniet gaan van het verhuurde.

De Hoge Raad vervolgde zijn uiteenzetting met de overweging dat indien zich het tweede geval voordoet, waarin de huurder door enig toeval verhinderd is in de uitoefening van het huurgenot, de huurder alleen dan van zijn verplichting tot huurbetaling wordt bevrijd wanneer de toevallige verhindering niet is toe te schrijven aan hem persoonlijk betreffende omstandigheden.

In deze zaak, zo oordeelde de Hoge Raad, was de eerste situatie niet aan de orde omdat niet kon worden aangenomen dat de evacuatie de verhuurder had verhinderd haar verplichting na te komen om de huurder het rustig genot van het verhuurde te doen hebben. Stalen Steiger had het steigermateriaal immers keurig afgeleverd bij AKU, terwijl het onmogelijk maken van het huurgenot door de maatregelen van de bezetter ook generlei verband hielden met de verhuurde zaak zelf, bijvoorbeeld “haar plaatselijke bepaaldheid of haar verloren gaan voor de verhuurder”.

Hier deed zich volgens de Hoge Raad het tweede geval voor, waarin de oorzaak van de genotsderving was gelegen aan de zijde van de huurder. Het was immers AKU zelf die door de evacuatie van Arnhem tijdelijk in de onmogelijkheid was gebracht gebruik te maken van het huurgenot dat haar ter beschikking stond. Omdat de terreinen waarop AKU het steigermateriaal wilde gebruiken in Arnhem waren gelegen en de verhuurder niet afkomstig was uit Arnhem, moesten de gevolgen van de evacuatie worden aangemerkt als omstandigheden die AKU persoonlijk betroffen, zodat Stalen Steiger ondanks het gestelde gemis van het huurgenot haar recht op huurbetaling jegens AKU had behouden. AKU moest de huur dus alsnog voldoen.

Als u wilt weten hoe het verder ging leest u dan mijn artikel in WR Tijdschrift voor huurrecht 2020/49 en op https://www.navigator.nl/thema/1179/corona-en-recht onder de titel “De overmacht van Corona”.

Deel dit artikelShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
terug naar overzicht